Verhaal

Joh en Reintje van der Horst in 1940-1945

Joh en Reintje van der Horst in ’40-’45 

 

Zelf heb ik de Tweede Wereldoorlog niet bewust meegemaakt, want ik ben in 1944 geboren. Hierover kan ik dus niet uit eigen ervaring schrijven, maar gelukkig heb ik een aantal mensen ontmoet die mij hun herinneringen hebben verteld. Hun belevenissen zijn nooit eerder aan het papier toevertrouwd, maar hun verhalen blijken stuk voor stuk schakel te zijn in gebeurtenissen van de bewogen jaren in Hasselt tijdens de oorlog waar nog te weinig van is opgeschreven. In 1988 vertelden Johannes Hendrik (Joh) en Reintje van der Horst- de Lange hun verhaal. Het mocht op de cassetteband worden opgenomen: een weergave van hun belevenissen.

 

 

Joh en Reintje van der Horst ontvangen het verzetsherdenkingskruis uit handen van Prins Bernhard der Nederlanden

 

Joh van der Horst vertelde dat hij was geboren op 12 december 1900 aan de Zwolsedijk, toen Zwollerkerspel, op de plaats waar later Willem Aalbers woonde. Hij was een zoon van Jannes van der Horst en Roelofje Holtrust en had drie oudere broers: Jacob, Hermannes, Albert en twee zusters Gerrigje en Aaltje. Het gezin verhuisde omstreeks 1903 naar Terwee, naar de boerderij van Ds Lambers, een oom van moederskant. Moeder Van der Horst overleed in 1918. Over zijn broers vertelde Joh dat Jacob (Jaap) trouwde met Geesje ten Klooster en ging wonen in boerderij De Nadorst aan de Sluizigerdijk bij Hasselt. Broers Hermannes (Mannes) en Albert van der Horst beproefden hun geluk in Amerika. Joh zelf ging ook naar Amerika in 1921, maar hij kwam in 1924 terug. Toen kreeg hij verkering met Reintje de Lange. Zij was geboren op 11 augustus 1905 als dochter van Hendrik de Lange en Niesje Buter. Haar ouders woonden op de boerderij in Mastenbroek, waar nu de werkschuur van Staatsbosbeheer is, in Jutjesriet. Amerika bleef lokken, maar Reintje kon eerst niet mee vanwege het visum. Op 16 juni 1927 zijn ze getrouwd in Hasselt en daarna naar Amerika gegaan. Maar Reintje was daar veel ziek en dat was reden om in 1930 terug te gaan naar Holland. Toen hebben ze drie jaar geploeterd op een boerenbedrijf dat ze van Jan van der Horst in Streukel hadden overgenomen. Door de crisistijd viel er geen droog brood te verdienen en in 1933 vertrokken Joh en Reintje naar de Eikenlaan (hoek Eiland) in Hasselt. Broer Hermannes van der Horst was ook teruggekomen uit Amerika. Hij was een transportbedrijf begonnen in de Laagte tussen de Eikenlaan en het Zwartewater. In 1938 kon Joh het bedrijf overnemen, want Hermannes voorzag een dreigende oorlog en ging weer naar Amerika.

 

Het begin van de oorlog

De oorlogstijd heeft veel herinneringen opgeroepen bij Joh en Reintje van der Horst. Het transportbedrijf van Joh van der Horst liep goed in de jaren voor de Duitse inval. Vanaf dat moment werden er vrachtauto’s gevorderd, waar dan waardeloze waardebewijzen voor terugkwamen. Toch was het eerste jaar van de oorlog nog wel dragelijk. Joh had wel het probleem dat hij nog Amerikaans staatsburger was, maar met behulp van burgemeester Royer werd dat veranderd in een vreemdelingenstatus. Toen de Duitsers jacht gingen maken op mankracht, dook Joh onder. Meestal was hij bij zijn broer Jaap aan de Sluizerdijk, maar soms was hij ook weer thuis.

 

In het verzet

De familie Van der Horst raakt betrokken bij het verzet door Jan Gunnink (Oom Hein) uit Meppel. Oom Hein was een bekend verzetsleider in deze regio. Hij zocht voor zijn gezin (onder meer drie zonen die op de vlucht waren) onderdak bij Jaap en Geesje van der Horst aan de Sluizerdijk. Als de Gunninks niet konden blijven bij Jaap en Geesje vonden ze ook wel onderdak aan de Eikenlaan. Reintje vertelt dat ze iedere dag de vitrage een stukje verder dicht had geschoven, in de hoop dat het niet op zou vallen. De familie Gunnink vertoefde boven en werd voorgesteld als ‘familie uit Nunspeet’. Ze waren niet de enige gasten, want in de achterkamer zaten evacués, een schippersvrouw met twee kinderen. Deze gasten had Reintje liever dan het alternatief: inkwartiering van Duitsers.

 

De auto

Joh en Reintje hebben verschillende momenten van grote spanning meegemaakt. Zo noemen zij het voorval van de auto, die in hun garage in de Laagte verborgen stond achter het stro. Deze werd gebruikt voor overvallen of transporten. Toen kwam de dag dat Duitsers de garage wilden doorzoeken op verboden waar. Reintje was meegelopen. Het was nogal donker achterin de garage en toen ze bij het stro aankwamen had Reintje de Duitsers gewaarschuwd: ,,Je moet het zelf weten, maar daar zitten veel ratten!’’ De Duitsers hebben daarop slechts oppervlakkig rondgekeken en de auto niet ontdekt. Deze auto was enige tijd later opgehaald door Gerrit Gunnink (Jan Rap) en Jan Petter. Vroeg in de morgen hadden ze geprobeerd om ongemerkt de auto mee te nemen maar dat was niet gelukt en de Duitsers hadden in een wilde achtervolging hen proberen aan te houden. Ze waren ontkomen door een weg op te gaan in het Staphorsterveld die onder water stond; de Duitsers hadden hen daar niet durven te volgen.

 

Ssst

Of die keer dat Reintje drie mannen van de Meppelergroep in huis had: Benno Gunnink, Wim van Zetten afkomstig uit Heerde en Roelof Kruithof (het mannegien) uit Staphorst. Reintje had het gezellig gemaakt met chocolademelk en de stemming zat er goed in. Totdat Jo Holtrust aan kwam fietsen met de boodschap dat de jongens direct moesten vertrekken vanwege een verwachte dropping in Drenthe. In het tumult dat volgde, had Reintje steeds geroepen ,,Sssst jongens, zachtjes!” De andere morgen was buurman Freek van Mulligen komen waarschuwen. ,,Reintje, wees toch voorzichtig.’’ De buren hoorden haar ,,Sssst jongens, zachtjes” zeggen en vroegen zich af wat er aan de hand was! De drie mannen waren op de fiets weggegaan, maar stuitten achter Meppel op een Duitse patrouille. Ze ontkwamen, maar met verschillende verwondingen, waarvoor ze in het ziekenhuis van Hoogeveen verpleegd moesten worden.

 

In de melktank 

Burgemeester Jan de Koning uit Zwartsluis hij informeerde nog wel eens telefonisch bij de familie Van der Horst hoe de zaken ervoor stonden in Hasselt. Omdat Joh van der Horst nog een vrachtwagen had die gebruikt werd voor voedselvoorziening, had het transportbedrijf nog de beschikking over een telefoon. De vrachtwagen waar Hendrik Stoel chauffeur op was werd overigens niet alleen voor voedsel gebruikt. Stoel ging met melk de IJsselbrug over bij Zwolle (daarvoor hadden ze vergunning) en op de terugweg verschansten zich mensen in de melktank om de IJssel over te steken. Dat was trouwens in het laatst van de oorlog bijna niet meer mogelijk door de strenge controles van de Duitsers bij de IJsselbrug en door de beschietingen vanuit de lucht door de geallieerden.

 

De kosterwoning aan de Regenboogsteeg

Joh werd gezocht door de Duitse bezetter, omdat hij zich niet gemeld had voor de arbeidsinzet en hij  werd verdacht van illegale praktijken. Een NSB-er uit Zwolle trachtte regelmatig uit te vinden waar Joh was. Op een dag was deze man gekomen met de order dat ze hun huis uit moesten. En wel binnen twee dagen, meubels en alles moest blijven staan! De Feldwebel die er bij was vond het wat al te rigoureus en zwakte de eis wat af, maar ze moesten wel binnen twee dagen het huis verlaten. Reintje zocht contact met Galenkamp, ouderling van de Gereformeerde kerk aan de Nieuwstraat.

 

De kostersbovenwoning stond leeg, omdat de nieuwbenoemde koster Vriesinga ondergedoken was. Reintje verhuisde naar de kostersbovenwoning in de Regenboogsteeg. Ze herinnert zich dat de voorkamer van de woning volgepakt stond met spullen van de gearresteerde dominee Hettinga. Na diens arrestatie was de pastorie gevorderd, maar de meubels die nog gered hadden kunnen worden, waren opgeslagen in de voorkamer van de kosterswoning. Hendrik Visser uit Streukel bood hulp en haalde met paard en wagen de spullen van de dominee op. Een dag later meldde de bewuste NSB-er uit Zwolle zich weer. Hij vroeg waar de spullen van de dominee waren gebleven. Reintje had hem kunnen afpoeieren.

 

Voor de lezers die zich de Gereformeerde Kerk aan de Nieuwstraat nog kunnen herinneren: het gezin Van der Horst woonde in de kosterbovenwoning, die via de Regenboogsteeg te bereiken was. Deze lag boven de consistoriekamer en leerkamer. In de gang boven zaten twee deuren, één voor de organist en één voor degene die handmatig voor de windvoorziening van het orgel zorgde. Aan de achterkant van de woning was een balkon en van daaruit kon je het schoolplein van de Gereformeerde school zien. Joh kwam zo nu en dan thuis en liet een keer ongewild een bizar stempel na. Hij slachtte clandestien een kalf. Om het vlees af te laten koelen had hij het een nacht in de kerk voor de preekstoel gelegd. Daarvan bleven bloedvlekken in de marmeren vloer achter, die daarna niet meer weg te poetsen waren.

 

De school aan de Nieuwstraat, waarop Joh en Reintje uitzicht hadden op het schoolplein, was gevorderd door de Duitsers. Het weerhield ze er niet van om weer onderduikers op te nemen. Ze hadden daarin veel contact met Jo Holtrust, die de onderduikers waarschuwde als het niet meer veilig was. In de voorkamer hadden een paar weken Henk Mensink, Klaas Stam en Arie van Raalte verbleven, ongezien voor de kinderen. Deze onderduikers werden erg gezocht. In die periode was de bewuste fanatieke Zwolse NSB-er ook weer de trap opgekomen. Maar omdat hij halverwege uit moest rusten wegens ademnood (het was een zware astmapatiënt) had Reintje de kans gekregen om met een speciale klop op de deur de mannen te waarschuwen dat er onraad dreigde en dat ze zich moesten verbergen. Ook toen was het goed afgelopen.

 

Ook stond hun nog een bijzondere gebeurtenis voor de geest. Oom Hein Gunnink kwam in de kosterswoning samen met bijna de complete verzetsgroep. Er zou een gevaarvolle opdracht moeten worden uitgevoerd. Oom Hein had een indringend gebed uitgesproken voor het welslagen van de opdracht en daarna waren er uit een kast wapens te voorschijn gehaald waarmee de groep in het

donker verdween.

 

Wederopbouw

Na de bevrijding betrokken Joh en Reintje hun woning weer aan de Eikenlaan en moest er hard gewerkt worden om het transportbedrijf weer op te bouwen. Joh en Reintje zijn voor hun verdiensten in de Tweede Wereldoorlog onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis dat hen door Prins Bernhard is uitgereikt te Meppel. Joh is overleden op 22 februari 1990 en Reintje op 29 mei 2001. Ze zijn begraven op de begraafplaats ‘Van Stolkspark” te Hasselt.

 

(H.Buit-Zielman)

 

 

 

 

 

 

Reacties