Verhaal

Het onderduikschip in het Zwartewater - deel 2

Auteur: 
H. Buit-Zielman

Het onderduiksschip in het Zwartewater was een tijdelijk toevluchtsoord voor tientallen onderduikers, elk met hun eigen geschiedenis. In die periode waren er veel mensen op de vlucht voor de Duitse bezetters zoals neergeschoten geallieerde bemanningsleden van vliegtuigen, Joden en mensen die verplicht voor de Duitsers moesten werken aan verdedigingswerken of in de fabrieken in Duitsland voor de wapenindustrie.

De Zwolse ondergrondse verzetsgroep “De Groene” onder leiding van Henk Beernink heeft het schip daar neergelegd als tijdelijke opvang voor mensen op de vlucht. Er was een vaste bewoner: een opmerkelijke man, een persoonlijkheid, Piet Stil of ook wel Piet Boot genoemd. Hij wist met behulp van omwonenden het leven dragelijk te houden, alleen de voedselvoorziening was al een dagelijks probleem. Het is een wonder dat het schip nooit verraden is. Immers veel mensen wisten ervan. Ook de Duitsers hadden een vermoeden, zij zochten tot drie keer toe bij het Haersterveer stroomopwaarts aan de Vecht alle schepen na die daar lagen naar Piet Stil en zijn mannen. Het hierna volgende verhaal is een aanvulling op het eerder verschenen artikel. Ondermeer wordt er ingegaan op de terugkerende verhalen over drie omgekomen mannen die hun noodlottig einde vonden direct na hun vertrek van de boot. Twee mensen komen hierbij nu uitgebreid (met hun naasten) aan het woord. We spraken met Peter Rijzebosch die in die periode aan de Gennerdijk bij de Zijl woonde, en met Herm Jan Snel uit Amsterdam. Deze laatste was tijdens de oorlog ondergedoken bij zijn oom Arend Knol aan de Zwolsedijk. Na de oorlog heeft hij een indrukwekkende documentatiemap aangelegd, waardoor veel herinneringen bewaard zijn gebleven. Hij bezit onder meer een brief van Piet Stil met daarbij een geschreven getuigenverslag van de executie van ‘de drie omgekomen mannen in Zwartsluis.’ Deze gebeurtenis maakte diepe indruk op allen die destijds betrokken waren bij het onderduikschip.

De herinneringen van Herm Jan Snel

Herm Jan Snel is geboren in Ruinerwold op 5 februari 1918 .Toen hij een oproep kreeg om in Duitsland te gaan werken besloot hij om onder te duiken en kwam bij zijn oom Arend Knol terecht aan de Zwolsedijk, de ouders van Mijgje Prins-Knol. Herm Jan had verkering met een meisje uit Genemuiden, Hendrika (Riek) van Dalfsen. Haar ouders hadden een boerderij aan de Oosterkade. In 1946 zijn ze getrouwd en naar Nieuwendam verhuisd en Herm Jan vond werk bij de F.I.O.D. Over de periode 1940-1945 heeft hij een indrukwekkende documentatiemap van voornamelijk brieven aangelegd. Alle foto’s die gebruikt zijn voor dit verhaal bleken door Herm Jan te zijn genomen.

De onderduikboot lag schuin tegenover de boerderij van Arend Knol aan de Zwolsedijk aan Genne kant van het Zwartewater, waar Herm Jan was ondergedoken. Zo werd er contact gelegd met Piet Stil. Voor de verzorging van de onderduikers op het schip was Piet aangewezen op hulp van betrouwbare vrienden en de omwonenden van het schip. Mannen die vaak aan boord kwamen waren Willem Jan en Jaap Tensen uit Haerst, Jan van Veen, die dicht bij het onderduikschip woonde en Herm Jan Snel. Deze mannen sliepen bijna nooit op het schip en ontmoetten elkaar daar ook weinig. Herm Jan Snel kwam er als het donker was. Nadat de jongens van Tensen op 13 oktober 1944 door de Duitsers ter dood waren gebracht, was Piet het laatste halfjaar aangewezen op Herm Jan Snel en Jan van Veen. Piet was een man die gezag uitstraalde: hij had de gave dat hij mensen voor zich in nam, maar tegelijkertijd was hij keihard en soms roekeloos en nonchalant voor zichzelf. Hij kwam uit Rotterdam, was daar leraar Engels aan een school.

Piet was de vaste bewoner van het schip en regelde met behulp van de Zwolse verzetsgroep “de Groene”, de wisselende toestroom van mensen die op de vlucht waren voor de Duitsers. Allerlei mensen vonden tijdelijk onderdak in de boot: zij die niet wilden werken voor de arbeidsinzet, maar ook Joden en neergeschoten geallieerde bemanningsleden. Deze laatste bleven tot hun terugkeer naar Engeland geregeld kon worden. Dat kon korte of langere tijd duren. Herm Jan dacht dat er in totaal 21 geallieerde bemanningsleden in het schip waren geweest. Van deze mannen herinnerde zich Herm Jan zich vooral nog een Amerikaan, die vrijwillig dienst genomen had. Hij was miljonair en bezat privé vliegtuigen. Nadat hij gecrasht was, belandde hij in de onderduikboot. Hij trachtte de tijd te doden met vissen en dergelijke. Toen hij hoorde van overvallen op zwarthandelende boeren en distributiekantoren, had hij zich enthousiast aangemeld, dat was een kolfje naar zijn hand. Hij was als Amerikaan gewapend, in tegenstelling tot zijn Engelse collega’s. Ook Herm Jan had meegedaan aan die overvallen.

Herm Jan herinnerde zich een voorval waaruit de stoutmoedigheid van Piet Stil blijkt. Piet viste regelmatig met behulp van handgranaten. Toen hij door zijn voorraad heen was, ging hij op de fiets naar Zwolle. In Frankhuis werd hij aangehouden door een Duitser die hem naar legimitatie vroeg en de fiets vorderde. Piet draaide de rollen om, hield de Duitser een pistool voor en gaf het bevel ,, Handen hoog en hier met je wapen.” De overblufte Duitser had beide gedaan. ,,Vertel maar aan je commandant dat je het hebt afgegeven.” Het was geen toeval dat Piet gewapend was. Als hij onderweg was, had hij altijd een revolver en handgranaten bij zich. En bij de boot kregen de jongens het bevel om in geval van onraad dírect te schieten!

Dokter Provo Kluit uit Genemuiden

Piet Stil kwam ook in Genemuiden, waar hij contact had met dokter Provo Kluit. Riek Snel-van Dalfsen kan hen in gedachten nog zo zien staan, met z’n beiden op de brug bij de Oosterkade, dicht bij de boerderij van haar ouders. Het was al spertijd en de dokter zou daar wel ontheffing voor hebben maar Piet niet. Er was niemand op straat en Piet stond rustig te praten met een zak op de rug waarvan de inhoud verdacht was. Piet was daarna bij hen thuis gekomen, haar ouders waren al naar bed. In de zak bleek een stengun te zitten wat voor hen een nieuw wapen was. Op haar bezorgde blik had Piet gezegd: ,,Wees maar niet bang, het is niet geladen.” Maar plotseling was het wapen afgegaan, rakelings langs haar been. Riek was zelf ook een keer aan boord geweest van het onderduikschip. Zij had sokken gebreid voor de mannen en bij het overhandigen waren de mannen de tranen in de ogen geschoten.

Dokter Provo Kluit stond altijd klaar voor de mannen van de boot. Ze mochten bijvoorbeeld zijn auto lenen voor wapentransporten. In de winter van 1945 was er in de boot een besmettelijke ziekte uitgebroken onder de mannen. De wegen waren onbegaanbaar glad door sneeuw. De dokter was lopend gekomen uit Genemuiden. Op het Zwartewater was zware ijsgang. De dokter werd overgezet door Herm Jan met een boot van Jan van Veen. Toen ze bijna aan de overkant waren, was de boot gekraakt door het ijs. Ze gingen kopje onder en konden daarna ternauwernood wadend de kant bereiken. Doornat had de dokter zijn kostbare ampullen kunnen redden, het waren zijn laatste, die hij voor gebruik van zijn eigen gezin gereserveerd had.

Omgekomen vliegtuigbemanning

Terwijl de geallieerde legers zich strijdend een weg baanden door Frankrijk, deden de toestellen van RAF dag en nacht aanvallen op de Duitse industriesteden. Een van die vliegtuigen, de Lancaster PH-D was aangeschoten op de terugweg en in Mastenbroek neergestort op 13 juni 1944. Men vond het ontzielde lichaam van Davy Lloyd, sergeant Reargunner. Door de veenbodem was het lichaam half in de grond beland en hij lag erbij alsof hij gewoon sliep. Jan Kroes in Mastenbroek heeft er een foto van gemaakt. Men heeft de familie opgespoord en hen de foto overhandigd. Het deed de familie goed dat hun zoon kennelijk niet geleden had. Geen van de bemanningsleden van PH-D overleefde de crash. Ze zijn begraven in IJsselmuiden (1)

Al gauw ging het gerucht rond dat de lichamen van de mannen beroofd zouden zijn van hun horloges en sieraden. En dat zou niet gebeurd zijn door Duitsers maar door Nederlanders! Over een trouwring kreeg Herm Jan een tip. Hij heeft het kleinood weer op kunnen sporen in een boerderij De Wilhelmina Hoeve bij Blokzijl. Daar was het ingeruild voor eten. Toen de bewoners het verhaal hoorden, waren ze graag bereid het kleinood af te staan voor de echtgenote. Na de bevrijding heeft Herm Jan haar op kunnen sporen. Ze was er zo blij mee dat ze niet wilde hebben dat de ring werd opgestuurd en is zij het persoonlijk komen halen. Het was voor Herm Jan en Riek een ontroerend moment geweest dat de weduwe de ring aan haar vinger schoof. De goud met platina ring had toebehoord aan de Pilot Officer Captain van de Lancaster  PH-D Albert Williams. Albert Williams was 26 september 1943 getrouwd met Edna Williams in Londen.

Droppings

De mensen van de boot betrokken hun wapens van de verzetsgroep Bonvanie uit het Staatsbos in Staphorst, die daar door droppings waren verkregen. Als door radio Oranje het bericht werd gegeven “De bonnen worden van avond gebracht” dan wist men dat men zich gereed moest houden. Herm Jan was ook mee geweest, op de fiets in de nacht door het Staphorsterveld, over de Stadsweg tot aan de kerk en dan oversteken naar het Staatsbos. De geweren werden dan aan de stang van de fiets gebonden. Ook werd de auto van dokter Provo Kluit hiervoor gebruikt. Terug bij de boot werden ze op het erf van Jan van Veen begraven en verstopt.

In het vorige verhaal over de onderduikboot kwam de SS-er Dik Doevelaar ter sprake. Deze Dik Doevelaar had Herm Jan ook meegemaakt als bewoner van het schip. Hij werd als normale onderduiker gebracht, maar Piet Stil ontdekte echter bij het uitkleden ‘s avonds dat hij dikke gewatteerde binnenlaarzen droeg, zoals de Duitsers aan het Oostfront droegen. Na verhoor door Piet Stil had Doevelaar toegegeven dat hij SS-er was geweest. Aanvankelijk werd hij als gevangene behandeld, maar later had hij meer bewegingsvrijheid gekregen. Na de oorlog had Herm Jan deze Dik Doevelaar nog een keer ontmoet in Zwolle. Het bleek dat hij toen eigenaar was van een seksshop in de Voorstraat te Zwolle. Tegen het eind van de oorlog waren er ook nog drie Duitsers gevangen gehouden op het schip, ze zouden Oostenrijkers van geboorte zijn. Wat er van hen is geworden, is Herm Jan niets van bekend.

Weerzien

Na de oorlog heeft Herm Jan nog schriftelijk contact gehouden met geallieerde bemanningsleden. Hij heeft ook verschillende onderscheidingen ontvangen o.a. erelid Royal Escape Societylijn en een oorkonde van President Eisenhower. Op 2 maart 1946 werd hij ontboden in een villa in Wassenaar aan de Bloemcampstraat 36 waar de Inlichtingen Dienst van de Geallieerden was ondergebracht. De grote baas die achter het bureau zat bleek Franklin.D. Cosslet te zijn, die ook op de boot ondergedoken was geweest. Dat was een bijzonder weerzien. Na afloop heeft Herm Jan een nieuwe fiets gekregen met een bewijs van ontvangst; als dank voor de zorg tijdens de oorlog aan hen gegeven.

Herm Jan heeft met Piet Stil nog lang contact gehouden. Hij was op hun trouwdag geweest en ook op hun 25 jarig huwelijksfeest. Soms kwam hij op zijn motor en bleef vier dagen. Piet had geholpen bij het opknappen van hun eerste boot en was met hen uit zeilen geweest. De kinderen bewaarden hier de beste herinneringen aan. Ook voor hen was Piet heel bijzonder.

Voor Herm Jan is het een onvergetelijke ervaring geweest om op 4 mei 2004 Harry Macfarlane weer te ontmoeten (het vliegtuig van Harry was 24 september 1944 neergekomen in Dalfsen, via Oudleusen was hij in de onderduikboot terecht gekomen (2). Vergezeld van zonen Neal Macfarlane en Willem Snel hebben Harry, Herm Jan en Riek de plekken bezocht aan het Zwartewater, waar ze met en als bootbewoners mee te maken hadden gehad. Onder meer brachten ze een bezoek aan Jan van Veen en haalden met hem herinneringen op Harry Macfarlane herinnerde zich de omgeving en o.a. de spanning die zij voelden toen er Duitsers op de loopplank stonden. Het verhaal van de omgekomen jongens in Zwartsluis was hem verteld. Verder herinnerde hij zich de kou goed, het vroor dat het kraakte en geregeld moesten ze het ijs rond de boot weghakken. Ze vermaakten zich ook met schaatsen, waarin Charles Lucas uitblonk. Hij was een verdienstelijk wedstrijdschaatser in Engeland. Voor Piet Stil had Harry veel respect, hij herinnerde zich Piet als een zeer ontwikkeld man die uitstekend Engels sprak.

De ontbrekende schakel

Bijna alle mensen die in 2003 spraken over de onderduikboot, begonnen uit zich zelf over de drie jongens die op de boot ondergedoken waren geweest en tijdens hun doorreis naar het volgende adres hun noodlottig einde in Zwartsluis vonden. Henk Linthorst begon er zijn verhaal al direct mee (zie artikel voorjaar 2004) en ook in de andere verhalen kwam het steeds terug. De drie mannen kwamen zovaak ter sprake dat hun lot een verhaal in het verhaal werd en om een nader onderzoek vroeg. Ik vroeg het aan Paul Harmens, collectie beheerder van de Stichting 1940-1945 in het Historisch Centrum Overijssel. Hij gaf aan dat Jan Blei uit Zwartsluis in 2001 de geschiedenis van die drie mannen al had uitgezocht. Rond de Dodenherdenking heeft hij er een documentaire over gemaakt voor Radio Zwartewaterland. Daarin vertellen familieleden de levensloop van de mannen en wat de impact was geweest op hun eigen leven. Jan Blei had het verblijf van de mannen in kamp Amersfoort kunnen reconstrueren en hun vertrek naar Zwolle voor de tewerkstelling aan de IJssellinie. In Zwartsluis had hij verschillende getuigen gesproken die iets van de gruweldaad hadden gezien. Maar van hun verblijf op de onderduikboot was nog niets bekend. Zo zorgden de verhalen over het schip voor het invullen van een ontbrekende schakel! Voor de Dodenherdenking 2004 heeft Jan Blei opnieuw een indrukwekkende documentaire gemaakt voor Radio Zwartewaterland. Ditmaal opnieuw met interviews met familieleden van de jongens. Ook sprak hij met Henk Linthorst, Herm Jan Snel, Peter Rijzebosch en met de dochter van Albert Mans uit Canada: Sientje IJtsma- Mans. Tot slot sprak hij met Jan van Veen die hem met de roeiboot bracht naar de plek van de boot.

De tragedie van de drie mannen die omgekomen zijn in Zwartsluis

Na de invasie in Normandiė juni 1944 door de Geallieerden werd er door de Duitsers koortsachtig gewerkt aan de verdedigingswerken de IJssellinie. Aan de kant van Genne langs de dijken en in Mastenbroek werkten duizenden mensen gedwongen aan de loopgraven. Ook gevangenen uit kamp Amersfoort werden ingezet. Verschillenden wisten te ontsnappen en werden via het onderduikschip verder geholpen. Herm Jan Snel wist ook van de tragedie van Joop Huiberts, Piet de Valk en Gerard Bouwmans, waar in het vorige artikel over is geschreven. Dit heeft veel indruk gemaakt op de mensen die betrokken waren bij de onderduikboot. De eerste weken van oktober 1944 waren mede daardoor dramatisch voor Piet Stil en zijn mannen. In een week tijd moesten ze het verlies verwerken van Willem Jan en Jaap Tensen en van Joop Huiberts, Piet de Valk en Gerard Bouwmans. Deze jongens hebben een onuitwisbare indruk achtergelaten. Ook Piet Stil gaf aan in een brief die hij na de bevrijding aan Herm Jan schreef, hoezeer hij zich deze gebeurtenissen had aangetrokken.

De familie Rijzebosch aan de Gennerdijk vervulde de rol van Barmhartige Samaritaan op een indrukwekkende manier tijdens de oorlogsjaren, door een open oog en oor te hebben voor hun medemens in nood. Dit blijkt onder meer uit de geschiedenis van Albert Mans, die wordt verteld door dochter Sientje IJtsma-Mans. Hoewel ze 53 jaar geleden met haar ouders naar Canada emigreerde, voelt ze de oorlog nog steeds als een stempel op haarzelf gedrukt staan. Haar vader had destijds een kruidenierswinkel in Ruinerwold en was opgepakt door de Duitsers toen hij onderduikers in veiligheid probeerde te brengen. Hij kwam in kamp Amersfoort terecht en van daar werd hij naar Zwolle gebracht om te werk worden gesteld aan de IJssellinie. Tijdens het graven aan de loopgraven had hij gezegd tegen de mannen Joop Huiberts, Piet de Valk en Gerard Bouwmans: ,,Begraaf mij aan het eind van de dag onder de graszoden, zodat ik achter kan blijven als we weer terug naar Zwolle moeten. Gelukt het mij om zo weg te komen dan kunnen jullie dat ook proberen en zijn dan welkom in Ruinerwold.” Daar kon hij wel een onderduikplek voor ze vinden.

Het lukte Albert Mans om achter te blijven en hij was richting Ruinerwold gegaan. Op de Gennerdijk had hij een oudere man ingehaald die van zijn werk kwam. Om hem voor te komen had hij zijn passen versneld, maar de oude man was ook harder gaan lopen en had hem aangesproken tot ze bij een klein boerderijtje onder aan de dijk bij het Genneger Zijl kwamen en de man de afrit van de dijk was afgegaan. De man in kwestie was de vader van Peter Rijzebosch. Zijn vrouw had hem opgewacht en gevraagd wat dat voor een persoon was. Rijzebosch had gezegd dat het erop leek dat de man op de vlucht was. Toen had vrouw Rijzebosch gezegd: ,,Roep die man terug! Er is een razzia verderop bij Hasselt.” En zo was Albert Mans bij Rijzebosch in huis gekomen. Ze hadden warm water gemaakt zodat hij zich kon scheren en wassen en ze hadden hem te eten gegeven. In de avond had Peter hem naar de onderduikboot bij Piet Stil gebracht. Daar was hij een paar dagen gebleven.

Een van de nachten is hem altijd bijgebleven. Het was nodig om dag en nacht de wacht te houden bij het schip en Albert Mans was ook een geweer in de handen gedrukt voor een nachtdienst. Alles was hem nog al onheilspellend voor gekomen: het duister van de nacht en het ruisende riet. Opeens had hij wat menen te zien, hij dacht dat het een sluipende man in het riet was. Albert heeft alarm geslagen, de mannen hebben de verdachte omsingeld, maar het bleek een paal in het riet te zijn waar het riet voorlangs ruiste. Zo gauw het kon, wou Albert naar huis, naar Ruinerwold. Peter Rijzebosch heeft hem weggebracht, helemaal tot aan Ruinerwold en had de blijdschap mogen meemaken van het gezin die hun man en vader levend terugzagen. Albert Mans bleef ondergedoken in zijn eigen huis. De oudste kinderen wisten dat, maar de kleinsten mochten dat niet weten. Op een dag had Sientje haar vader gezien en had gezegd: ,,Je bent mijn vader”! Haar vader had haar op schoot genomen en gezegd: ,,Denk eraan, je mag niets vertellen anders maken ze je vader dood.” Sientje weet nog dat ze toen dacht: ,,Hoe kan dat nou. Het is zo’n lieve vader, wie wil hem nu doodmaken?” Het verhaal van de drie noodlottig omgekomen jongens in Zwartsluis was Sientje verteld. Tussen de familie Rijzebosch en Mans zijn warme contacten gebleven, Peter is verschillende malen in Canada hartelijk ontvangen en de familie Mans is ook weer teruggeweest aan de Gennerdijk.

In navolging van Albert Mans was het Joop Huiberts, Gerard Bouwmans en Piet de Valk ook gelukt om te ontsnappen van het werk aan de IJssellinie. Ook zij hadden zich in de loopgraven onder aarde verstopt. Peter Rijzebosch vertelt hoe hij ze naar de onderduikboot heeft begeleid. ,,Het was op een zondagmorgen en we stonden klaar om naar de kerk te gaan. We liepen boven naar de dijk en zagen vanaf Zwolle drie mannen naderen. Moeder Rijzebosch zei: “Ik zie het al, die zijn op de vlucht. Allemaal weer naar beneden in huis en in de fornuispot warm water maken.” De jongens waren meegetroond in huis. Vader Rijzebosch had ze geschoren, ze hadden zich kunnen baden en hadden schone kleren gekregen en hadden ze te eten gegeven. Daarna waren ze onder de hoede van Piet Stil in de boot gebracht. Peter weet niet hoe lang de jongens daar geweest zijn, ook niet of ze nog gelijk met Albert Mans in de onderduikboot zijn geweest. Hij weet dat hij samen met Henk Linthorst en Wim Schroten mee was geweest om de jongens op weg te brengen naar Ruinerwold. Het duurde niet lang of ze hoorden van het vreselijke lot van de jongens. ,,Toen we het hoorden, schoot het ons in de benen en we hebben er nachten lang niet van kunnen slapen.”

De brief van Piet Stil

In de documentatie die Herm Jan Snel aangelegd heeft van de Tweede Wereldoorlog is een heel bijzonder stuk aanwezig; een brief van Piet Stil aan Herm Jan Snel gedateerd 8 mei 1945 met een huiveringwekkende bijlage; een illegaal verslag van het vermoorden van de drie mannen in Zwartsluis. Het is geschreven tijdens de oorlog en ter informatie aan Piet Stil gestuurd. Het was kennelijk geschreven door een politieman.

De inhoud van de brief van Piet Stil is letterlijk als volgt:

8 mei 1945
"Beste Jan,

Hierbij de bewuste brief, hij ziet er niet zo goed meer uit omdat hij in de grond is bewaard. Maar hij is nog volledig leesbaar. Er is een stuk afgescheurd. Dat is als volgt gekomen. De brief was geadresseerd aan Riesebosch en die heeft wat angsten en een stukje met het adres er afgescheurd. De rest kon er niet af natuurlijk. Wat ik weet is het volgende in deze zaak. Piet de Valk Joop Huiberts en Gerard Bouwmans zouden vertrekken naar Ruinerwold naar Klaas Mans(3) die daar te Ruinerwold kruidenier is en met hen ontsnapt was. Hij had hun beloofd dat ze wel bij hem konden komen, hij zou dan voor adressen zorgen. De vrijdag voor hun dood 6 oktober 1944 zijn ze vertrokken maar niet op de plek van bestemming aangekomen, (brief lezen) Wat de andere dingen betreft ik zit nog steeds in Zwolle in de Broerenkerk. Niet veel te doen alleen veel begrafenissen. We zijn namelijk het vuurpeloton (4). Ik heb ook nog gestaan bij het graf van Willem Jan Tensen en Jaap van de week die liggen op de Kranenburg. Wat toen in me omging kan ik niet zeggen, effijn het is zo, ze zijn gevallen voor de Grote zaak. Wij zullen ze niet vergeten! Bij de begrafenis van Gerrit, Piet en Joop wil ik ook graag bij wezen. Mijgje of Hans zal de boodschap meenemen wanneer. Dat hoor ik dan via van Veen. Probeer deze brief te bewaren, ik wil hem aan de ouders geven. Nog de hartelijke groeten voor jou en alle andere in Genemuiden.

Van je vriend Piet”

Hieronder de bijlage die er door Piet Stil was bijgedaan

Relaas van het vermoorden van drie Nederlandse mannen door leden van de Duitse Weermacht

,,Op 8 Oktober 1944 voor middags 6.00 uur werden door leden van de Duitse Kriegsmarine 4 personen aangehouden die trachten met een bok over het Meppelerdiep te varen van de Stouweweg naar de Zomerdijk. Drie van de personen waren gevluchte gevangenen uit kamp Amersfoort en tewerkgesteld bij het graven van de verdedigingswerken aan de IJssellinie. De vierde persoon was een jongen van 17 jaren oud. Deze laatste was een schippersknecht, die niet langer bij zijn patroon werkzaam wilde zijn en van daar was weggelopen. De bok hadden zij gekregen van een boer aan de Stouweweg te Zwartsluis, nadat zij eerst inlichtingen hadden gevraagd omtrent de aanwezigheid van Duitsche militairen. De naam van deze boer is nog onbekend. Alle vier personen werden later overgegeven aan twee leden van de Duitsche Zollbeambten, ingekwartierd te Zwartsluis aan het Lagerland in de woning van Buisman en ds. Raabe, door wien zij werden geleid voor hun commandant. Hoe het drama zich verder heeft afgespeeld is tot op heden onbekend, doch dit staat wel vast dat alle vier personen verder den gehele dag tot het voltrekken van het “vonnis” hebben doorgebracht in genoemde huizen. Omstreeks 15u 30 van de zelfde datum werden de drie ontvluchte gevangenen uit het kamp bij Amersfoort met de auto afgevoerd naar de opslagplaats van de Gemeentereiniging te Zwartsluis. Achter deze auto reden vijf leden van de Zollbeambten. Op de plaats aldaar aangekomen, werden aan de drie slachtoffers meegedeeld dat zij ter dood zouden worden gebracht en als zij nog wilden bidden, dan hadden ze er nu de tijd voor. Dit werd hun meegedeeld door iemand van de S.D uit Zwolle. Dit was een korte dikke man waarvan de naam nog niet bekend is. Zij werden beschuldigd zich te hebben schuldig gemaakt aan een aanslag op een spoorlijn. Door deze S.D man zijn ze achtereenvolgens afgemaakt met een automatisch pistool. Van dicht bij heeft hij eerst het ene slachtoffer een schot achter in het hoofd gegeven en vervolgens nog twee op andere plaatsen. Het tweede slachtoffer werd op dezelfde wijze afgemaakt, beide in knielende houding en al biddende. Als laatste viel de marechaussee als slachtoffer. Deze heeft zich waarschijnlijk opgericht. Hij is staande met het gezicht naar voren neergeschoten. Bij dit drama was tevens aanwezig een Nederlandse rechercheur, diezelfde die meermalen gezien is met zijn Duitse herdershond. Deze persoon moet verschillende malen zijn gezien bij bakker Nico Blei zijn naam is onbekend.

Het voltrekken van het ”vonnis” vond plaats op zondag 8 oktober 1944, omstreeks 15.45 uur te Zwartsluis op de opslagplaats van de gemeentereiniging te Zwartsluis. De lichamen van de drie slachtoffers werden alleen achtergelaten, waarna den Opperwachtmeester der Marechaussee Goossen door de Duitschers werd gewaarschuwd en opdracht kreeg voor het bergen van de lijken met de meeste spoed zorg te dragen. Gezamenlijk met den Onderluitenant Leyssennaar, den Opperwachtmeester Talsma en Wachtmeester Scholten, allen van de marechaussee te Zwartsluis heeft hij zich van zijn taak gekweten. De lichamen zijn door hen vervoerd naar het lijkenhuisje op de begraafplaats te Zwartsluis. Alwaar zij in de morgen van maandag 9 Oktober 1944 zijn begraven.

In de nabijheid van de lijken werden nog enige bundeltjes kleren gevonden, benevens een brood een paar klompen en een Katholieke legimitatie ten name van Gerardus Bouwmans, met verzoek hem een Katholieke begrafenis te willen geven. Tevens werd een adresboekje van den zelfden naam daarbij gevonden. Uit het getuigenverhoor is komen vast te staan, dat de persoon die het eerst is neergeschoten een student was, afkomstig uit Zuid Holland. Hij werd geknield neergeschoten.

Hij droeg een alpino muts en een bril met een donker hoornen montuur. Tweede persoon met zekerheid kan worden aangenomen, dat dit de genoemde Gerardus Bouwmans was. Hij was geboren op 27 maart 1919 en woonde in Uden (NB) Veld.B.171. Parochie St.Petrus. Uden. Aan hem behoren dus de genoemde bescheiden toe. Aanvankelijk werd dit reeds vermoed en wel om de navolgende redenen; Was het verzoek om een Katholieke begrafenis op een zeer opvallende wijze door hem neergelegd, terwijl hij zelf werd gevonden knielende neergeschoten en de handen nog stijf gevouwen op zijn borst. Kwam de leeftijd ongeveer overeen. Eerstgenoemde persoon was naar schatting jonger, terwijl de derde ouder moet zijn geweest. Nu thans uit het getuigen verhoor is komen vast te staan dat eerstgenoemde een student uit Zuid Holland en de tweede burger iemand uit Noord Brabant, waarschijnlijk boekbinder van beroep, kan dus met zekerheid worden aangenomen dat de gegevens omtrent deze personen juist zijn. De derde persoon was iemand van het korps Marechaussee, afkomstig uit Brabant. Hij droeg nog een overjas van het oude model, echter zonder onderscheidingstekenen. Van hem is bekend dat hij waarschijnlijk de commandant is geweest van de derde colonne die is vertrokken naar Zwolle. Hij had een donker uiterlijk en had zeer donkerblond haar. Naar schatting had hij een leeftijd van ongeveer 30 jaar. In een van de gevonden bundeltjes kleren werd ondergoed, zakdoeken, enz aangetroffen. In een groot gedeelte hiervan kwam de naam voor P.v.d. Valk. Aan wie deze goederen hebben toebehoord is niet te zeggen. Tevens werd in dit bundeltje aangetroffen een blauw-grijs geblokte handdoek, waar in gele letters stond gedrukt N.S.F, terwijl vlak daarboven schuin in de hoek het navolgende nummer met rood garen stond geborduurd: 9663. Deze naam zou ook toebehoord kunnen hebben aan een van de andere slachtoffers. Gezien de wijze waarop de naam op de kleren waren aangebracht, zou kunnen worden verondersteld, dat dezen aan de marechaussee toebehoorden. Het was voorheen namelijk gewoonte bij het Wapen van de Marechaussee om hun goederen te merken met een lintje waarop de naam in rode letters geborduurd stond. De handdoek afkomstig van de N.S.F. zou hij in bezit gekregen kunnen hebben, doordat hij tewerk was gesteld in de radio kamer.

De namen der vijf Duitse Zollbeamten die bij het bovenstaande aanwezig waren, zijn als volgt: Walther Thorman, Kapitein op vistrailer in Noordelijke IJszee. A.Adriaan, kanaal en grondaannemer, wonende voorbij Eisenach in Thüringen. Fokke Didden, landbouwer, wonende te Bonne. Otto Prouza. Karl Haak, leraar aan de zeevaart school, wonende te Lübeck. Tenslotte is nog opgemerkt, dat in het adresboekje van Bouwmans de navolgende notitie stond vermeld; Jo Kocken, Heuvel 68 Oss. Dit was kort van te voren geschreven daar het potlood….. in het geheel niet gevlakt was.

Herdenken

Zondag 8 oktober 1944 was een droevige dag in Zwartsluis die velen diep heeft aangegrepen. De harde schoten op de stille zondagmiddag zijn door velen gehoord. Jan van der Horst, die in de nabijheid van de Conradsweg woonde, kreeg de opdracht om de drie slachtoffers naar de begraafplaats te brengen. Hij deed dit met een platte boerenwagen. Een droeve tocht door het centrum van Zwartsluis, die diepe indruk maakte. Op de begraafplaats aan de Singel werden de lijken maandagmorgen 9 oktober 1944 ongekist in een strobed begraven. Na de bevrijding zijn ze weer opgegraven en na gekist te zijn op 10 juli 1945 naar hun voormalige woonplaatsen gebracht. Doordat er kort na de oorlog bijna geen vervoersmogelijkheden waren gaf dit nogal problemen. De kosten die de Gemeente Zwartsluis had gemaakt o.a. voor de kisten f 150, - per lijk moesten door de familie vooruit betaald worden.(5) Wie waren de drie jonge mannen waaraan de mensen in Zwartewaterland die met hen bewogen waren, steeds weer terugkerende herinneringen hebben?

Petrus de Valk

Piet was geboren in Boekel op 28 maart 1920. Hij diende bij de marechaussee in 1940 in Susteren en vervolgens in Uden, Etten Leur en Helmond. In Helmond is hij op 16 mei 1944 gearresteerd wegens het helpen ontvluchten van een kennis uit de gevangenis. Via kamp Vugt was hij in kamp Amersfoort terecht gekomen waar hij op de radio afdeling heeft gewerkt. Zijn kampnummer was 9663. Vanuit Amersfoort is hij op 26 september 1944 op transport gezet naar Zwolle voor tewerkstelling aan de IJssellinie. Op 8 oktober 1944 vond hij de dood in Zwartsluis. Een zus van hem vertelde dat het erg zwaar geweest voor haar ouders om het lichaam van Piet op te halen uit Zwartsluis na de bevrijding. Zij was als zus de enige nabestaande in Nederland geweest, de anderen waren over de hele wereld verspreid. Daardoor had zij zich jaar in jaar uit verplicht gevoeld de herdenkingen bij te wonen.(6)

Gerard Bouwmans

Gerard was op 27 maart 1922 geboren in Veghel in een gezin van acht meisjes en vier jongens. Volgens zijn zuster, mevrouw Van Nieuwenhuizen –Bouwmans was Gerard een knappe sportieve jongen, die graag hockey speelde. Tijdens een verlof van de tewerkstelling in Duitsland was hij ondergedoken en daarbij opgepakt en naar kamp Vugt gebracht op 10 augustus. Van daar was hij op 4 september 1944 naar kamp Amersfoort gebracht wegens contractbreuk. Op 26 september werd Gerard op transsport gesteld naar Zwolle voor tewerkstelling aan de IJssellinie. Het lot van Gerard had veel impact op het gezin gehad. In juli 1945 hadden ze pas zekerheid gehad. In het gezin werd er weinig over gesproken want als zijn naam viel, was de moeder dagen van streek. Met feestjes en bruiloften kwamen er vaak brieven van de tantes die non waren en die schreven dan dat het zo jammer was dat Gerard er niet bij kon zijn. Dan was de stemming weer weg! De heer Spiering, een vriend van Gerard beschreef hem als een degelijke kerel, een grote blonde man die gezien wilde worden, behulpzaam voor iedereen, een christen en fel anti-Duits. Gerard Bouwmans ligt in Uden begraven.

Johannes Nicolaas Huiberts

Joop Huiberts wordt geboren op 8 juni 1920 in de Beemster als telg uit een geslacht van boeren en veehandelaren. Hij was de vierde zoon. De oudste drie gingen voor een boerderij en de veehandel, maar Joop kon goed leren en dat werd ook gestimuleerd. De familie had hoge verwachtingen van hem, hij was kandidaat notaris, kon ook goed piano spelen en stond bekend als een integere jongeman. Op 24 augustus 1944 was er een razzia in de Beemster voor de arbeidsinzet. Onder leiding van een verrader zochten 17 overvallers de polder af die gedeeltelijk onder water stond. De boerderij van Huiberts werd ook doorzocht. Aanvankelijk leek het goed te gaan, totdat de commandant tegen een ring van een luik naar de kelder schopte. Daar, achter in de kelder op een muurtje, want er stond water in, vonden ze Joop. Hij mocht nog droge kleren aantrekken en is daarna meegenomen. Op dolle dinsdag 5 september is hij afgevoerd naar kamp Amersfoort. Op 5 september is ook de oudste broer van Joop omgekomen. Piet Huiberts was op de veemarkt in Purmerend en is daar meegenomen door Duitsers naar een steegje en werd daar doodgeschoten. Op 26 september is Joop op transport gezet naar Zwolle om te gaan werken aan de IJssellinie.

Na de oorlog kon de familie pas accepteren dat beide jongens niet terug zouden komen. Vader Huiberts had als antwoord op het verdriet altijd gezegd: ,,Ga maar hard werken, dan denk je er het minst aan.” Op 10 juli 1945 werd het lichaam van Joop opgehaald uit Zwartsluis en bij zijn broer Piet herbegraven in het familiegraf van de familie Huiberts in de West Beemster. De familie Huiberts herdenkt Joop en Piet Huiberts jaarlijks op 10 mei op het kerkhof in de Westbeemster.

Dankzij de documentaires van Jan Blei gemaakt in 2001 en 2004 voor Radio Zwartewaterland hebben deze mannen een gezicht gekregen. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, zal merken dat hun namen en die van de mensen die met hen bewogen waren, voor altijd zijn verbonden met het Zwartewaterland.(7)

Noten

(1)  J.L. Schotman; Zij vielen rondom Zwolle pag 77
(2)  Hasselt Historiael 1e kwartaal 2004
(3)  Dit moet zijn Albert Mans
(4)  Rond 5 mei 1945 werden op de begraafplaats Kranenburg 20 mensen herbegraven onder grote belangstelling met militaire eer, die tijdens de oorlog door de bezetter elders waren doodgeschoten,
(5)  Meegedeeld door A.H.M Huiberts Hattem
(6)  Documentaires Jan Blei 2001-2004
(7)  N.I.O.D dossier nummer; Doc-11 nr 1117

Reacties

Onderdeel van het thema: